Het Gestookte Leembouw Project
Jan de Rooden

 
Research 1985
 

Uit India terug op onze Amsterdamse basis, gunden Johnny en ik ons weinig tijd om te acclimatiseren.
Johnny vervolgde haar leembouw research in bibliotheek en antiquariaat.
Ik begon voor het bureau "Bilaterale Betrekkingen" aan het rapport over onze eerste poging om in Pondicherry een leemstenen huis
zo te bouwen, dat het kon worden gebakken. Dit pilot-house-verslag met foto's zou de directie ervan kunnen overtuigen, dat er voldoende
grond om de proef voort te zetten en mij van een vervolg budget te voorzien.

Om het "Gestookte Leembouw" idee te introduceren en respons te krijgen, zocht ik naar Nederlandse instituten met Lowcost Housing in hun
programma. De TH's van Delft en Eindhoven bleken beide actief op dat terrein.
Prof. Peter Schmid nodigde me uit om aan de TH Eindhoven een dia-presentatie te geven over het Pondicherry project.
Op een buitenterrein werkten zijn studenten aan een proef met gestabiliseerde kleiblokken. Ik ging daar met Johnny naar toe, maar aan de iglo-vorm
viel geen praktische informatie af te lezen.
Aan de TH Delft trof ik internationaal georiënteerde onderzoekers met ervaring in het veld. Op hun "Centrum voor Aangepaste Technologie" CAT
zochten zij op dat moment naar het verduurzamen van klei- en leemblokken en vergeleken het stabiliserende effect van cement of kalk toevoegingen
aan de klei met de resultaten van het persen onder hogere druk.
Al viel het procédé buiten hun scoop, het stabiliseren van een gereed leemstenen huis door het te stoken vonden zij een intrigerende gedachte.
Casper Groot (Dr.Ir.C.J.W.P. Groot) adviseerdde mij om Piet Bekker van "Stichting Technisch Centrum Waalsteen" in Nijmegen te benaderen.
Ons procédé lag helemaal op zijn terrein, meende Casper. Verder noemde hij TOOL de Amsterdamse stichting "Technologie Overdracht aan
Ontwikkelings Landen" waarmee CAT samenwerkte. Daar werd allerlei nuttige informatie over Lowcost Housing bijeen gebracht.

Toen Johnny en ik contact maakten met de mensen van TOOL, waren zij juist gereed voor hun open dag in Artis. Daar presenteerden zij o.a.
hun nieuwste handpers. Met deze versie kon zonder veel extra inspanning een forser, compacter blok uit rulle klei met of zondere extra toevoegingen
worden geperst.
Zou deze pers niet een nuttige aanwinst zijn voor Pondicherry, vroegen wij ons af, of in ieder geval de bouwtekening ervan?

Op hun eigen locatie bleek TOOL over een uitgebreide, op de praktijk gerichte bibliotheek en boekwinkel te beschikken.
Bij de "Technology Series" van het "International Labour Office" ILO stond het boek: "Small-scale brickmaking" (ISBN 92-2-103567-0).
Dit "Technical memorandum No 6" leek als het ware geënt op de Indiase steenmakerijen en op de daar gebruikte typen ovens.
Mocht ons Gestookte Leembouw procédé toepassing vinden, dan zou dit boek uitmuntend als aanvullende handleiding kunnen fungeren.
Voorlopig kon de inhoud antwoord geven op veel van onze eigen vragen.
Wij lieten het inpakken, evenals het idealistische, heel Franse cahier: "Construire en terre" (ISBN 2-88227-031-8) van de groep "CRAterre",
"Centre de Recherche et d'Application Terre" uit Grenoble.

In Rotterdam maakte ik in het Bouwcentrum kennis met de heer A. Volbeda, mede redacteur van "The Journal of CIB", het blad van
"the International Council for Building Research, Studies and Documentation". Op zijn advies stuurde ik een notitie over ons Pondicherry Project
aan de hoofdredactie van dit journal "Batiment International / Building Research & Practice" in Engeland.
De Editor L.W. Madden bleek ons project bij zijn lezers te willen introduceren. In het nummer van July/August 1986 plaatste hij mijn bijdrage
onder de titel: "A Phoenix from the Flames" ( post-firing a mudhouse in situ) .

In Nijmegen ontving Piet Bekker (Dr. Ir. P.C.F. Bekker) ons met open armen, of misschien moet ik zeggen: hij ontving het Gestookte
Leembouw Project met open armen. Met zijn bouwkundig inzicht, zijn kennis van baksteenovens en zijn ervaring in het veld in ontwikkelings landen
zag hij onmiddelijk de reikwijdte van Gestookte Leembouw. Hij benaderde het procede op professionele wijze, waardoor hij oplossingen aandroeg
voor onze bouw technische problemen in Pondicherry.

De belangrijkste adviezen van Piet Bekker waren:
a. Bouw eerst alleen een open toog over draagmuren. Voor het stoken sluit je de voor- en achterkant van die ruimte af met ongebakken stenen.
De toog kan tijdens het stoken dan ongehinderd uitzetten en krimpen. Daarna leveren de binnen zijden van die tijdelijke afsluitingen een partij goed
doorbakken stenen. Aangevuld met de bakstenen uit de lading kunnen die dan gebruikt worden voor de definitieve voor- en achtermuren.
Die kunnen vertand worden opgemetseld worden met grove kalk.

b.
Om de brandstof en de hitte van rookgassen optimaal te benutten kwam Piet Bekker, vertrouwd met de Hoffman oven in de baksteen industrie,
met het idee dat mij vanaf het begin ook door het hoofd had gespeeld, nl. om een aantal toogkamers aaneen te bouwen. Deze kamers moesten
door middel van trekgaten met elkaar in verbinding staan. Op elkaar aangesloten zouden zij opeenvolgend worden gestookt. Wanneer de eerste kamer
op temperatuur was, had de volgende al hitte opgebouwd. Deze op zijn beurt op temperatuur gebracht, zou hetzelfde doen met de aangrenzende ruimte. Successievelijk kon een hele reeks zo economischer worden gebakken.

Door voor het stoken een laag zand aan te brengen over het hele gebouw, zo redeneerde Piet Bekker verder, ceëerde je een bandstof besparende
isolatie laag. Een laag gestampte leem over dat zand heen, verschafte het platte dak, dat in heel veel gebieden in zwang is.
Ik had wel enkele kant tekeningen bij deze gedachte: het moest te controleren blijven, of onder dat de buitenkant van de toog voldoende doorbakken
was en zou het opwarmen van het zand niet veel extra brandstof nemen?

Intussen liet Piet Bekker voor zichzelf en voor ons een meer-kamer gebouw uittekenen.
Hij speelde met de gedachte om met ons samen, nadat wij de proef in Pondicherry hadden afgerond, op een terrein dat hij in de Ooipolder
tot zijn beschikking had, zo'n togen reeks uit ongebakken steen te laten optrekken en dat gebouw vervolgens te stoken.
Een dergelijke proef zou ook duidelijk kunnen maken, hoe een gestookt leemgebouw het uithield in een klimaat als het onze.
Door omstandigheden is dit er helaas nooit van gekomen.

Schets uit 1987.

Een reeks geschakeld gestookte leembouw ruimten worden woning, waterplek, dierenbeschutting.
Op geëigende locaties zou een dergelijk gebouw te realiseren zijn.
Maar willen daar de mensen erin gaan wonen en leven?

 
Naar Frankrijk
Omdat ik ambachtelijk ben ingesteld en beter uit de praktijk leer dan uit een boek, besloten Johnny en ik in de vroege zomer van dit "tussenjaar"
nogmaals de Franse Lyonnais te bezoeken.
Eerder waren wij in die streek verrast gestopt bij boeren hofsteden, waarvan je aan de lemen muren kon zien, hoe zij laag voor laag waren
opgebouwd uit klei. Later leerden wij, dat deze bouw methode Pisé heet.

Onze eerste doel was Grenoble, waar wij op de afdeling Architectuur van de universiteit leden van de groep CRAterre zouden ontmoeten.
CRAterre doet onderzoek naar leembouw methoden en propageert deze via publicaties en cursussen. In ontwikkelings landen geven zij vaak leiding
aan leembouw projecten.
Omdat de leden van de staf er niet waren waren, beperkte ons bezoek zich tot een korte rondleiding door ruimten, waarin studenten bouwkunde
zich konden oefenen in het optrekken van toog en koepel uit baksteen en leemmortel en in wijzen om deze in elkaar te overgaan.

Wij vervolgden onze reis richting van de nieuwe stad L' Isle d'Abeau.
In de wijk Bourgoin Jallieu van deze stad werd een leem- of beter een kleibouw project uitgevoerd.
Via een prijsvraag waren in 1981 jonge architecten uitgenodigd om moderne woningen te ontwerpen met klei als bouw materiaal.
De winnende ontwerpen werden onder supervisie van CRAterre gerealiseerd en waren inmiddels in een ver gevorderd stadium.

Met architect Jean-Jo Verdet uit Grenoble, die de inheemse bouw in de Alpen als specialiteit heeft, en met Lison Guéry
zijn echtgenote en onze collega, hadden wij afgespoken om het project samen te bezoeken.
In de straten waar groepen huizen al bewoond werden, verbaasde wij ons alle vier erover dat buiten, noch binnen iets van klei te viel ontwaren.
De huizen waren architectonisch zeer gevarieerd en vertoonden een grote verscheidenheid aan materialen. Maar naast het beton en het staal,
het glas en het hout toonden de huizen nergens een spoor van klei, het bouwmateriaal waarop de prijsvraag was gebasseerd.
Wij begrepen het niet.Dit project was opgezet, om te laten zien, dat klei ook nu een volwaardig bouwmateriaal is, van nature isolerend en
daarom minder belastend voor het milieu.
Hadden bouwvoorschriften hier idealen doorkruist?
Bleef de isolatiewaarde van de kleimuren beneden de vereiste minima, waren zij te kwetsbaar? Waarom moest alles worden afgewerkt met
houtbeschot en gipsplaat?
Helaas was er niemand op de bouwplaats te bekennen om enige toelichting te geven.

Intussen waren er in de straten, waar het bouwen van blokken huizen nog in volle gang was, veel muren in klei te zien.
Sommige van de huizen werden opgetrokken uit gestabiliseerde klei in blokken, andere uit pisé, pneumatisch gestampt.
Allen telden zij meerdere verdiepingen.
Maar ook hier begon het beschieten al. Spoedig zouden ook in deze straten alle leemmuren verdwenen zijn achter gelakt of gebijtst hout over een
styrofoam isolatielaag.
Misschien zou in de toekomst een bezoek met gids helderheid kunnen verschaffen over het waarom.
Voor het moment deden wij er verstandig aan om ons te gaan concentreren op de traditionele en al eeuwen aan de buitenlucht blootgestelde pisé.
Dit keer konden wij die met een enigermate geoefend oog bekijken.

Onder de wijd overstekende daken straalden de hoge muren van boeren hofsteden onverwoestbaarheid uit. Zelfs aan verwaarlosing leken zij zich
weinig te storen. Waar de kalkmortel stuclaag verdwenen was, trad de gebruikte kleimassa
aan het licht. De kiezel en vele keien erin deed vermoeden, dat er klei zo uit het veld was gebruikt.
De manier waarop de uitwaardse druk in de gelaagde muren werd ondervangen, duidde op vernuft en lange ervaring.
Elke laag bestond uit parten met schuine zijkanten. Bij iedere volgende laag helden deze schuine kanten in tegengestelde richting. Zo werd de uitwaardse
druk tegelijk verdeeld en opgevangen.
De hoekpartijen uit baksteen of zandsteen waren in de lagen vertand en vingen op hun beurt uitwaardse krachten op.
Zij wekten de indruk van kolommen en gaven de gebouwen speciale alure.
Met extra aandacht bekeken wij dit maal de plinten van dicht opeengezette ovale keien aan de voet van de muren. Zij reikten soms tot ander halve
meter hoogte. Vaak waren deze keien in fraaie patronen aangebracht. Efficiënt vingen zij het spatwater op en leidden het weg.
Terug in onze Amsterdamse ateliers concentreerden wij ons allereerst op onze twee jaar tevoren afgesproken keramiek tentoonstelling in het
Singer Museum
in Laren. Ook tussen de leembouw activiteiten door hadden wij daar werk voor gemaakt, Johnny zelfs in Pondicherry.
Mij bood de expositie in het Singer de gelegenheid om ook aan de hand van een fotoserie met tekst de eerste phase van ons Pondicherry
project te laten zien.

Hierna was het tijd om in kaart te brengen, hoe wij onze leembouw ervaring nog konden verruimen, voordat in India de tweede phase van
het project aanving.
Ik zou mijn vaardigheid in het opmetselen van kleistenen met leemmortel aan de praktijk willen toetsen, evenals mijn ideeën over de samenstelling
en bereiding van de mortel.
De steenverbanden in koepels zou ik nog een keer van nabij willen bekijken en zo mogelijk zou ik een bouwplaats willen vinden, waar een metselaar
bezig was met het optrekken van een koepel.
Ik zou de verschillende methoden, om over te gaan van muur en hoek naar de ronde vorm, willen vastleggen.
En Johnny en ik zouden allebei nog een keer de atmospheer van een oorspronkelijk leemdorp willen ervaren en ons daarbij een helder idee vormen
van de eisen van onderhoud.
Wij hadden ons gerealiseerd, dat het wonen in zulke toch kwetsbare gebouwen een voortdurende last legt op de schouders van de bewoners.
Bij het bedenken van leembouw huizen zouden wij rekening daarmee kunnen houden.
Ik vroeg mij ook af, of er buiten de toog en de koepel nog alternatieven te vinden waren voor de vorm van het dak.
Bij gestookte leembouw leken wij er haast toe veroordeeld om een van beiden toe te passen, maar dat kon ons procédé zeer gaan beperken.
Zowel voor het vinden van antwoorden op onze technische vragen als voor het verschaffen van meer inzicht in de sociale kanten van het wonen in
lemen huizen leek een hernieuwd bezoek aan Egypte het meest zinvol.
Nogmaals Egypte
De Nubische dorpen in Garb Aswan, de leembouw gebouwen en stadjes in de Kharga en in de Dhakla Oase en het door Hassan Fathy ontworpen
dorp New Gourna stonden op ons programma, toen wij eind october 1985 opnieuw in Egypte landden.
Maar eerst leidde ons pad naar de leemstenen villa die econoom / planoloog David Sims samen met de libanees-franse architect Olivier Sednaoui nabij
de Nijl tegenover Luxor bouwde.

David Sims en Olivier Sednaoui hadden een royaal huis voor ogen, zagen wij bij het naderen van de nederzetting in de vroege ochtend.
Wij telden een vijftal koepels en toen wij de hoge toegangspoort door waren, betraden wij een court die overging in een volgende. Dit maakte
de binnenruimte intrigerend en gaf de er omheen gelegen vertrekken met hoge toog alle privacy.
David verwelkomde ons en leidde ons beneden rond, voordat wij naar de verdieping erboven en het dak gingen, vanwaar het uitzicht schitterend was.
Het oog dwaalde van de barre bergketen, waarvoor de Vallei van de Koningen zich uitstrekt, naar de Medinet Habu tempel aan de rand van de woestijn
en bleef rusten bij palmen, die woven boven bevloeide groene akkers met groenten en suikerriet.
David's huis, begonnen in 1978, was in 1980 voldoende voltooid. Maar het bouwen ging nog steeds voort en op het moment moest er ook gerepareerd.
Bij een van de zeldzame, hevige regenbuien kort geleden kon de stuclaag over de togen en de koepels zijn kwaliteit bewijzen. De binding en de hechting
bleken niet overal bestand en vooral op de koepels moesten nu gedeelten opnieuw worden aangebracht.
Gezamelijk praatten wij lang over de achillus hiel van de leembouw, de afdeklagen die bijna nooit meer dan water afstotend wilden worden.
Op allerlei plekken op de wereld werd daarom naar toeslagen gezocht, die een kalk-leem stuclaag waterbestendig konden maken.
David zelf meende enige verbetering te hebben bereikt door voor het buitenwerk aan de mortel, die normaal uit grove kalk en klei bestond,
enig gips toe te voegen. Maar de tijd moest de duurzaamheid eerst bewijzen.
 

Het leembouwhuis van David Sims aan de Nijl tegenover Luxor, November 1985

 
Toen wij hierna David's buurman architect Naguib Y Amin opzochten, die wij twee dagen tevoren op het Nederlands Instituut in Kaïro hadden
leren kennen, zagen wij een metselaar bezig met het optrekken van een koepel over boogmuren. De koepel was halverwege en alles wat de man bij het opmetselen als richtsnoer gebruikte, was een soort passer-stok, die in het midden van de ruimte scharnierde op een paal, welke reikte tot de pendentieven,
de onderste aanzet van de koepel in de hoeken.
Wij namen alles nauwkeurig op en fotografeerden de details zorgvuldig.
Daarna gingen wij te voet naar het dorp New Gourna, Hassan Fathy's schepping, waaraan hij na eindeloze strijd eindelijk kon beginnen in 1940.

Wij wisten, dat New Gourna de droom van Hassan Fathy om een dorp te bouwen uit materiaal, dat onbemiddelde mensen zich konden permiteren,
door de politiek van de overheid en door desinteresse bij de lokale bevolking in duigen was gevallen.
Maar dat behalve de moskee alle gemeenschaps gebouwen zo in duigen zouden liggen en de aanblik van de oorspronkelijk fraaie huizen zo verwaarloosd
zou zijn, dat schokte ons.
Er zijn veel publicaties in allerlei vorm over architect Hassan Fathy en zijn New Gourma experiment en al even talrijk zijn de websites onder beide namen, daarom hoeft er hier niet verder over uitgeweid.


De avond bracht meer discussies met David over leembouw als low cost housing.
De volgende ochtend staken wij de Nijl weer over om een bus te vinden naar Aswan.
 

Nubische leembouwwijk in Garb Aswan, november 1985

 
Garb Aswan opnieuw bezocht
Wij voelden ons gelukkig, toen wij in Aswan aankwamen en aan de overzijde van de Nijl de Nubische dorpen zagen liggen, onze eigenlijke doel.
In die dorpen hadden wij een jaar geleden de leembouw informatie vergaard, die het uitgangspunt werd voor pilot-leembouw huis in Pondicherry.
Om die informatie verder uit te diepen waren wij teruggekomen, opnieuw voorzien van een aanbevelingsbrief van de Nederlandse Ambassade in Kaïro.
Nog op de avond van onze aankomst troffen wij de heer Hassan Kakhr El Din, Directeur van het Palace of Culture in Aswan.
Vereerd met de officiële brief zegde hij ons een tolk toe en zijn Public Relation Officer bood ook zijn medewerking aan.

De eerste dag brachten wij ons echter op onszelf door.
Wij wilden ons opnieuw oriënteren en de indrukken van nu vergelijken met die van een jaar geleden.
Wij zagen meer gewitte huizen, sommige nog heel vers. Er was veel aangebouwd en er verrezen royale, nieuwe hofsteden. Er bleken huizen te zijn
bijgebouwd in natuursteen.Dit zelfde zouden wij ook zien in het dorp Abu El Riz ten Noorden van Aswan, dat ik verleden jaar alleen bezocht.
Een jonge onderwijzer, die graag Engels met ons wilde praten, gaf ons de naam van een dorp mee in het arabisch, omdat wij geinteresserd bleken
in de constructie ervan.
Daags erop gingen wij met onze tolk al vroeg naar Shaekh Al Diab om te horen te krijgen, dat daar toch geen koepel kwam en zelfs geen toog. Over de hoge muren waren ijzeren pijpen gelegd met daarop golfplaten en als isolatie daarover- heen stro en palmbladeren met een laag van leem met mest als afdekking. "Een toog is gezonder en koeler maar wel veel kostbaarder", zo luidde het commentaar van de aannemer - metselaar Mohammed.
Mohammed was graag bereid om op al onze vragen over de bouw met leemsteen in te gaan.
In 1981 was hij, zo vertelde hij ons daarna, met Hassan Fathy in New Mexico om er de Nubische boog te introduceren en om er mensen te trainen, die vervolgens onder leiding van Fathy een moskee zouden bouwen.
Op onze terugweg passeerden wij nog enkele bouwplaatsen. Wij stopten bij een ervan in de hoop op een koepel in aanbouw, maar ook hier zou over de lemen vertrekken aan de court een zelfde golfplaten afdekking komen.
Als toegangspoort was er nog wel een prachtig hoge toog neergezet, hoewel een bijzonder korte.

Nog twee dagen bleven wij in Garb Aswan terugkomen.Wij vergeleken oude en recent neergezette huizen, letten op de zorgvuldigheid van het stucwerk binnen, beproefden de hardheid en breukvastheid van leemstenen, keken toe op bouwplekken, sloegen het gereed maken van de modder specie gade en luisterden naar commentaren van mensen over
het bouwen vroeger en nu.
Onderwijl speurden wij naarstig of er ergens een koepel in aanbouw was. Op een plek waar wij daarnaar vroegen, boden werkmensen aan om er in drie uren een voor ons op te zetten, maar dat voor een wel erg hoog bedrag.
Wij klampten Mohammed aan, of hij het misschien wilde doen, maar nu hoorden we pas een kolossaal bedrag.
Ik begreep, dat ik de koepel verder diende te vergeten en wij maakten ons op voor vertrek.
Wordt vervolgd

terug

home