k


30-11-2004

Jan de Rooden

Klei wint


Lente 1936. Door een straat in Nijmegen loopt aan de hand van oma een klein jongetje. Zijn moeder is plotseling gestorven.
Voor de etalage van een warenhuis staan zij stil. Achter het raam zit een grote man in witte overall op een pottenbakkersschijf.
Hij legt zijn handen om een bonk gele klei en in vloeiende lijn groeit daaruit een slanke vaas. Dagen achtereen vraagt het kleine
joch aan zijn oma om weer naar dat raam te gaan met hem.
Het kleine joch heet Jan de Rooden.

Zomer 1955. Voorbij zijn de oorlogsjaren en de jaren op de lagere school in de beboste Duitse grensstreek.
Voorbij zijn de seminarietijd in de polder, de proefperiode in het klooster en een lang verblijf in Frankrijk.
In het hartje van Amsterdam sta ik bij avondlicht in de Kerkstraat voor een laag venster. Mijn ogen volgen gespannen
de bewegingen van iemand in een witte overall, die bij het licht van een peertje op een draaischijf aan het werk is
met soepele, gele klei. Dat materiaal is opnieuw onweerstaanbaar en ik geef mij ter plekke gewonnen.
De volgende ochtend laat ik mij niet inschrijven als hospitant kunstgeschiedenis aan de Rijksacademie zoals afgesproken,
maar ik stap pottenbakkerij "de Stenen kater" binnen en vraag of ik les kan krijgen. Dat kan, maar het tarief is te hoog
voor wat ik met mijn studentenbaantje van avondwerker bij de PTT verdien.
In de stad, waar ik nog maar amper ben aangekomen, moet ik op zoek naar de geschikte plek.
In de Nieuwe Kerkstraat ontdek ik een pand, waar Meilink op de zolders een bedrijf heeft voor Delftsblauw souvenirs.
Naast de tafels met gietvormen staat een ongebruikte schopschijf. Die mag ik in ruil voor wat hand en spandiensten uitproberen.
Na zes weken draai ik een kruikje en dan weet ik zeker, dat klei mij bevalt en omgekeerd.
Nu is het zaak een pottenbakkerij te vinden, waar potten enkel met de hand gemaakt worden. Weer heb ik geluk.
In "De Groene Kalebas" - studenten en kunstenaars restaurant - bindt een vriendenpaar mij op het hart naar Lucie Q. Bakker
te gaan, "de beste pottenbakster in de stad". Inmiddels is het winter en met geitenwollen sokken als handschoenen fiets ik naar
de Binnenkant. De dame, die de deur voor mij open doet, zegt: "kom terug als het dooit, ik ben nu uitgevroren".
Vol spanning bel ik na twee maanden opnieuw bij haar aan en ik bemerk nauwelijks, hoe welkom ik ben.
Lucie Bakker kan met de hand niet voldoende maken om ervan te leven en heeft een kaliberschijf besteld.
Die machine kan elke dag op haar zolder atelier arriveren en zij verwacht, dat ik ermee zal gaan werken.
In plaats van op de schopschijf potten te draaien draai ik weldra moedervormen uit gips, giet ik gipsen indraaivormen en zet ik
een kleine productielijn op. Dit is niet het werk, waarvan ik gedroomd heb maar wel een goede leerschool.
Lucie durft mij spoedig het nauw luisterende glazuren toe te vertrouwen en tenslotte ook het inpakken en het stoken van de ovens.

Herfst 1957. Anderhalf jaar hebben Lucie en ik zij aan zij gewerkt. De pottenbakkerij loopt en ik kan met een gerust hart vertrekken.
Dat moet ook. Hier ben ik uitgeleerd en buiten wacht iemand op mij.
Een jaar geleden heb ik Johnny Rolf ontmoet. Aan het strand hebben wij toen afgesproken om over een jaar te trouwen en samen
een pottenbakkerij te beginnen. Daar zullen wij onze dingen gaan maken, mooie potten, maar ook wat klei ons verder ingeeft.

Het is niet gemakkelijk om Lucie vaarwel te zeggen, verknocht als ik ben geraakt aan haar en haar pottenbakkerij.
Lucie van haar kant is bezorgd. "Waarom het onmogelijke nog eens beproeven? Je weet, hoe hard ik het geprobeerd heb en
het is niet gelukt. Voor je levensonderhoud moet er vraag zijn naar jullie eigen keramiek".
Haar bezorgdheid beantwoord ik met het argument, waarmee Johnny en ik ook de familie gerust proberen te stellen:
"Geef ons vijf jaar. Ik geloof, dat er toekomst is voor wat wij zullen gaan maken."

Een week later zijn Johnny en ik s'ochtends in de trouwzaal van het Stadhuis en s'middags liftend op weg naar Denemarken.
Dat land is beroemd om zijn meubel-design, maar ook om zijn keramiek. In onze rugzak reist een boek mee over glazuren.
Het handelt welliswaar alleen over materialen bij aardewerk temperaturen, maar het is het enige Nederlandse handboek.
Aangekomen op Bornholm studeren wij in ons primitieve hutje boven zee en wandelen langs de rotskust en door de bossen.
Wij bezoeken pottenbakkers in hun ateliers en keramiekbedrijven.

Na twee maanden komt er een einde aan ons eerste buitenland avontuur. Vol verwachtingen en met nieuwe energie beginnen wij
aan de lifttocht terug naar Amsterdam. Wij hebben besloten, dat we voor ons levensonderhoud en voor de kosten van ons kleine
atelier ieder weer een baan zullen zoeken. Voor Johnny betekent dit opnieuw werken op kantoor. De directeur van aardewerkfabriek
"Fris" in Edam biedt mij parttime werk op de gipsvorm gieterij. Van die fabriek kunnen wij een ton witbakkende steengoed klei
in poeder overnemen. Van elders - leveranciers op dat gebied zijn uiterst schaars - betrekken wij glazuur grondstoffen en pigmenten.
Met dat in huis gaan wij van start. Ieder vrij moment wordt nu besteed aan het draaien en opkneden van potten en aan het mengen
van honderden glazuurproefjes om de glazuren te vinden, waarmee wij kunnen werken.
Vier, vijf maanden verstrijken er zo, maar dan komt het moment waarop we vol spanning onze eerste oven met onze eigen creaties
stoken en uitpakken.
Die dag beseffen wij, dat de wereld van keramiek voor ons open ligt. Wij zijn op weg.

 
home